Sinds dat gesprek voelt Theo zich bekeken wanneer hij in zijn auto stapt. Zijn buurman zegt niets meer, maar de manier waarop hij naar de auto van Theo kijkt, spreekt boekdelen. Het maakt dat Theo zich afvraagt of hij echt iets verkeerd doet door nog benzine te rijden.
Zijn oude auto doet wat hij nodig heeft, en een elektrische wagen is simpelweg niet binnen zijn financiële mogelijkheden. Wat Theo extra dwarszit, is dat zijn buurman de elektrische auto leaset.
Met zijn hoge salaris hoeft hij zich geen zorgen te maken over de maandelijkse kosten. Theo daarentegen leeft van een bescheiden inkomen en heeft geen budget voor zo’n prijzige overstap. Het gevoel dat hij tekortschiet, groeit steeds meer.
Theo vraagt zich af of hij de enige is die zich zo voelt. De sociale druk om duurzaam te zijn lijkt steeds sterker te worden. Mensen die niet meegaan met deze trend worden vaak met de vinger gewezen.
Natuurlijk wil Theo ook zijn steentje bijdragen aan een betere wereld, maar hij heeft geen duizenden euro’s over voor zonnepanelen, een warmtepomp of een elektrische auto. Is het eerlijk dat mensen zoals hij zich schuldig moeten voelen omdat ze simpelweg de middelen niet hebben?
Het debat over duurzaamheid lijkt steeds meer een kwestie van zwart-wit te worden. Elektrisch rijden wordt gepresenteerd als de ultieme oplossing, terwijl mensen met benzineauto’s vaak als ouderwets of ongeïnteresseerd worden bestempeld.
Maar voor veel mensen, zoals Theo, is de keuze voor een benzineauto een praktische overweging, geen morele. Niet iedereen kan zomaar de overstap maken naar duurzamere opties, en dat zou geen reden moeten zijn om hen met schuldgevoelens op te zadelen.











