Voor alleenwonende AOW’ers die gebruikmaken van Wmo-hulp, kunnen de financiële vooruitzichten de komende jaren fors veranderen. Er gaan plannen rond die voor veel senioren met spaargeld en aanvullend pensioen een onwelkome verrassing kunnen betekenen. De details van deze mogelijke nieuwe rekenmethode en de gevolgen voor de eigen bijdrage worden steeds duidelijker.

Het huidige systeem van een vast abonnementstarief voor Wmo-ondersteuning staat namelijk ter discussie. De overheid wil af van het idee dat iedereen hetzelfde bedrag betaalt, ongeacht inkomen of spaargeld. In plaats daarvan wordt gewerkt aan een nieuw model waarin inkomen én vermogen een grotere rol spelen bij het bepalen van wat men moet bijdragen.
Hoewel het nog slechts een voorstel betreft, zijn de contouren van het plan inmiddels bekend en wordt al druk gerekend aan de gevolgen.
Vanaf 2028 wil het kabinet het vaste tarief vervangen door een inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage voor Wmo-hulp. Het is belangrijk te beseffen dat deze verandering nog niet definitief is: zowel de Tweede als Eerste Kamer moeten nog akkoord gaan.
De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2028, maar zoals bij veel wetgevingstrajecten kan de planning tussentijds veranderen.
Hoe wordt de nieuwe bijdrage berekend?
De eigen bijdrage zal straks worden vastgesteld op basis van het ‘bijdrageplichtig inkomen’. Dat bestaat uit het verzamelinkomen plus een bijtelling op basis van het vermogen. De uitvoering van de regeling komt te liggen bij het CAK, het Centraal Administratie Kantoor.
Veel van de rekenvoorbeelden zijn gebaseerd op de prijzen van 2025, maar door indexatie kunnen de bedragen in werkelijkheid hoger of lager uitvallen.
Voor alleenstaanden gelden lagere inkomens- en vermogensgrenzen dan voor stellen. Hierdoor bereiken alleenstaanden sneller het punt waarop ze een hogere bijdrage moeten betalen. In de voorbeelden wordt daarom uitgegaan van een alleenwonende AOW’er die Wmo-hulp ontvangt, zoals huishoudelijke hulp of begeleiding.
Vermogen in box 3: wat telt mee?
Bij het bepalen van het vermogen waarmee wordt gerekend, gaat het om het box 3-vermogen: alle bezittingen minus schulden, met uitzondering van de eigen woning waarin men woont. Spaargeld en beleggingen tellen dus wel mee, maar het eigen huis niet.
Voor 2028 kijkt de wet naar het vermogen op 1 januari 2026. De eerste drempel is de bijtellingsgrens. Voor alleenstaanden ligt deze op €38.479. Over het bedrag boven deze grens wordt 4 procent bijgeteld als extra inkomen.
De tweede drempel is het heffingvrije vermogen in box 3, dat in 2026 €59.357 bedraagt. Voor het vermogen boven deze grens wordt een fictief rendement gerekend, dat voorlopig op 1,28 procent ligt voor spaargeld. Hierdoor telt spaargeld boven beide grenzen dus dubbel mee in de berekening van de eigen bijdrage.
Wat betekent dit concreet voor de maandelijkse bijdrage?
Voor alleenstaande AOW’ers geldt dat tot een bijdrageplichtig inkomen van €24.598 per jaar het minimumbedrag van €23,60 per maand betaald moet worden. Deze grens is gebaseerd op DDS-berekeningen, waarbij het maximumbedrag op €328 per maand ligt en wordt bereikt bij een bijdrageplichtig inkomen van €61.126.
Wie boven de inkomensgrens uitkomt, betaalt maandelijks een twaalfde deel van 10 procent van het meerdere. De inkomensgrens is vastgesteld op 135 procent van het sociaal minimum. Voor AOW’ers is dat het bruto AOW-bedrag. Alle voorbeelden zijn gebaseerd op prijzen van 2025.
Rekenvoorbeelden: alleen AOW en spaargeld
Stel: een alleenstaande ontvangt alleen AOW, ongeveer €18.221 per jaar, en heeft spaargeld op de bank. Met €50.000 of €100.000 spaargeld blijft de bijdrage €23,60 per maand, wat circa €31 per jaar meer is dan het huidige vaste tarief van €21 per maand.
Met €200.000 spaargeld loopt de bijdrage op naar €39,30 per maand, ongeveer €220 per jaar extra. Tussen €38.479 en €59.357 geldt alleen de 4 procent bijtelling; daarboven werkt ook het box 3-inkomen mee.
Rekenvoorbeelden: AOW en aanvullend pensioen
Met AOW en daarnaast €500 pensioen per maand (totaal circa €24.221 per jaar), is de bijdrage bij €50.000 spaargeld €24,30 per maand, zo’n €40 per jaar meer dan het vaste tarief. Bij €100.000 spaargeld stijgt het bedrag naar €45,30 per maand.
Met €200.000 spaargeld moet €89,30 per maand worden betaald, wat neerkomt op ongeveer €820 per jaar extra.
Wie AOW ontvangt en €1.000 per maand extra pensioen (ongeveer €30.221 per jaar), betaalt bij €50.000 spaargeld €74,30 per maand; bij €100.000 spaargeld wordt dat €95,30. Zonder enig spaargeld bedraagt de maandelijkse bijdrage al circa €70,46.
Met €200.000 spaargeld loopt de bijdrage op tot €139,30 per maand, ruim €1.400 per jaar boven het huidige vaste tarief. De minister noemt in prijzen van 2026 een maximum van circa €340, maar in het DDS-voorbeeld komt dit neer op ongeveer €123 per maand.
De invloed van extra spaargeld en beleggingen
Tussen €38.479 en €59.357 is alleen de bijtelling van 4 procent van toepassing. Boven €59.357 telt ook het box 3-inkomen mee. In deze zone zorgt elke €10.000 extra spaargeld voor ongeveer €4,40 per maand extra bijdrage, mits men boven de inkomensgrens zit.
Het systeem werkt optellend: de bijtelling verhoogt het bijdrageplichtige inkomen, en het box 3-inkomen doet dat eveneens. Zo wordt spaargeld in feite dubbel belast, vooral als het inkomen door AOW en pensioen samen al boven de inkomensdrempel uitkomt.
Voor spaargeld wordt voorlopig gerekend met een rendement van 1,28 procent. Voor belegd vermogen ligt dat veel hoger: 6 procent in 2026. Wie €200.000 volledig belegd heeft en €1.000 pensioen ontvangt, komt daardoor uit op een eigen bijdrage van circa €194,62 per maand.
Het verschil tussen sparen en beleggen kan dus grote gevolgen hebben voor het bijdrageplichtig inkomen, zeker als het vermogen boven het heffingvrije deel uitkomt. In die gevallen telt zowel de 4 procent bijtelling als het hogere box 3-inkomen mee.
Het loont daarom om goed te rekenen wanneer het vermogen vooral uit beleggingen bestaat.
Peildatum en invloed op de bijdrage
De Wmo-bijdrage wordt berekend op basis van gegevens van twee jaar eerder. Voor 2028 betekent dit dat inkomen en vermogen op 1 januari 2026 bepalend zijn. Voor 2029 wordt gekeken naar 1 januari 2027. Het is daarom verstandig om banksaldo’s van deze data goed te noteren en de belastingaangifte te bewaren.
Het kabinet wil op termijn een rekentool beschikbaar stellen via de website van het CAK, waarmee mensen hun eigen bijdrage kunnen berekenen. Het aantal uren hulp maakt niet uit voor de hoogte van de bijdrage. Gemeenten kunnen ontheffing verlenen bij te weinig draagkracht.
Wat als het inkomen of vermogen daalt?
Als het bijdrageplichtig inkomen aantoonbaar daalt, mag men het CAK vragen om te rekenen met het huidige jaar. Voor 2027 geldt hiervoor een drempel van minimaal €3.387,80 lager inkomen. Het CAK past deze regel alleen toe als het voor de aanvrager gunstiger uitvalt.
Een praktisch voorbeeld: als het spaargeld van €200.000 zakt naar €100.000, daalt de bijtelling al met €4.000. Dit overschrijdt de drempel, waardoor men in aanmerking komt voor een herberekening van de maandelijkse bijdrage, mits dit wordt aangevraagd.
Tot wanneer geldt het vaste tarief?
Tot de invoering van de nieuwe regels blijft het huidige vaste tarief van kracht: €21,80 per maand in 2026 en €22,40 in 2027. Pas vanaf de geplande datum in 2028 – als het parlement akkoord gaat en na indexatie – kunnen de hogere bijdragen ingaan.
Met alleen AOW blijft men tot circa €164.000 spaargeld op het minimum van €23,60 per maand. Wie €500 pensioen ontvangt, bereikt het omslagpunt al bij ongeveer €47.900 spaargeld. Met €1.000 pensioen betaalt men zonder spaargeld al meer dan het minimum.
Politieke behandeling en besluitvorming
De ‘Wet vervanging abonnementstarief Wmo 2015’ staat in de week van 9 november op de agenda van de Tweede Kamer. Minister Sterk gaf op 4 november aan dat sommige cliënten straks fors meer gaan betalen door hun inkomen en vermogen. Voordat de wet definitief wordt, moeten beide Kamers nog instemmen.
Alle genoemde bedragen zijn gebaseerd op prijzen van 2025, tenzij anders vermeld. Door indexatie van grenzen, rendementen en de AOW kan de uiteindelijke bijdrage in 2028 hoger of lager uitvallen. De ontwikkelingen worden nauwlettend gevolgd.





























