Wie denkt aan de wereld van grote vermogens, stelt zich vaak enorme bedragen en een exclusieve elite voor. Toch blijkt dat banken heel anders omgaan met het begrip ‘vermogend’ dan veel mensen verwachten. Niet alleen de allerrijksten krijgen extra aandacht; ook spaarders met een bescheidener saldo kunnen al in de belangstelling van financiële instellingen staan.

Het idee leeft dat banken zich pas richten op klanten met miljoenen op de rekening. In de praktijk blijkt die grens veel lager te liggen. Het moment waarop een bank je als interessant beschouwt, kan al aanbreken terwijl je zelf nog denkt vooral verstandig te sparen, zonder jezelf rijk te noemen.
Wat er wereldwijd gebeurt met grote vermogens
Uit het meest recente World Wealth Report van Capgemini blijkt dat het aantal mensen met aanzienlijke privévermogens snel stijgt. In 2025 groeide het gezamenlijke vermogen binnen deze groep tot circa 98,3 biljoen dollar, wat omgerekend ongeveer 84 biljoen euro is.
Deze toename van 8,7 procent in één jaar tijd is volgens het rapport de sterkste jaarlijkse groei sinds 2018. Het aantal mensen dat tot deze vermogende categorie behoort, liep wereldwijd op tot ongeveer 25,3 miljoen.
Wanneer je officieel “rijk” bent volgens de financiële wereld
In rapporten en bij banken wordt vaak gebruikgemaakt van de term High Net Worth Individual (HNWI). Om deze status te bereiken, is doorgaans een minimum van 1 miljoen euro aan vrij belegbaar vermogen vereist. Dit gaat om geld waarover je relatief snel kunt beschikken, zoals spaargeld en beleggingen.
Een belangrijk aspect is dat de waarde van een eigen huis waarin je woont meestal buiten de berekening valt. Ondanks dat huizenprijzen sterk kunnen zijn gestegen, telt de overwaarde van de eigen woning vaak niet mee als het om het label ‘vermogend’ gaat.
Ook opgebouwde pensioenpotten die nog vaststaan, blijven bij deze rekensom doorgaans buiten beschouwing.
Wat wél meetelt als vrij belegbaar vermogen
Onder vrij belegbaar vermogen vallen middelen die eenvoudig liquide te maken zijn. Voorbeelden zijn spaargeld, aandelen, obligaties, beleggingsfondsen of saldi op beleggingsrekeningen. Ook bepaalde vormen van liquide vermogen in een holding kunnen meetellen, afhankelijk van de situatie.
Wat doorgaans niet wordt meegenomen, is de overwaarde van de eigen woning en geblokkeerde pensioenreserves. Dit verklaart waarom iemand met een kostbare woning op papier vermogend lijkt, maar door de bank niet meteen als miljonair wordt aangemerkt.
Omgekeerd kan iemand zonder koopwoning alsnog als miljonair worden gezien als het saldo aan beleggingen en spaargeld hoog genoeg is.
De superrijke categorie boven de miljonairs
Boven de HNWI-groep bestaat er nog een kleinere, exclusievere klasse: de Ultra High Net Worth Individuals. Dit zijn personen met tientallen miljoenen aan vrij belegbaar vermogen, of zelfs meer. Ook in deze categorie wordt de waarde van de eigen woning zelden meegenomen.
Deze groep heeft vaak complexe financiële structuren, waarbij het vermogen verspreid is over bedrijven, vastgoed, internationale beleggingen en soms ingewikkelde familieconstructies.
Voor deze superrijken pakken banken de dienstverlening anders aan dan bij de ‘gewone’ miljonairs. Niet alleen vanwege de omvang van het kapitaal, maar vooral omdat de structuur van hun vermogen vaak veel specialistische kennis vereist.
Denk aan juristen, fiscalisten, estate planners en deskundigen op het gebied van internationale regelgeving.
Waarom banken niet alleen jagen op de allerrijksten
Het lijkt vanzelfsprekend dat banken zich vooral op de multimiljonairs richten, maar aan deze groep kleven ook nadelen. Door de complexiteit van hun financiële situatie moet de bank veel tijd en geld investeren in advies en begeleiding.
Daardoor zijn deze klanten niet per definitie het meest winstgevend. Voor banken zijn mensen met enkele tonnen aan vrij belegbaar vermogen soms juist aantrekkelijker: minder ingewikkeld, maar wel geïnteresseerd in beleggingsadvies en aanvullende diensten.
Vanaf wanneer je bij banken op de radar komt
Je hoeft geen miljonair te zijn om door een bank als ‘welgesteld’ te worden beschouwd. In de praktijk begint de extra aandacht vaak al rond de grens van 100.000 euro aan vrij opneembaar vermogen.
Hoewel dit geen officiële drempel is, merken banken dat klanten vanaf dit bedrag vaker gaan beleggen en meer behoefte hebben aan advies. Het vormt een soort omslagpunt, zelfs als je nog ver onder het HNWI-label blijft.
Banken zien vanaf deze grens mogelijkheden voor aanvullende producten en diensten. Klanten met dergelijke bedragen zijn interessant voor de verkoop van beleggingsproducten en financiële planning. De definitie van ‘vermogend’ kent dus meerdere gradaties, afhankelijk van het beleid van de bank.
De echte ondergrens voor private banking verschilt per bank
Wie geïnteresseerd is in private banking – met een eigen adviseur, maatwerkoplossingen en uitgebreide beleggingsmogelijkheden – krijgt te maken met duidelijke minimumeisen. Bij de meeste Nederlandse banken ligt de ondergrens tussen de 500.000 euro en 1 miljoen euro aan vrij belegbaar vermogen.
Onder deze grens komen klanten vaak terecht in een ‘light’-versie van private banking: minder persoonlijk contact, meer online dienstverlening en standaardoplossingen. Wie meer vermogen meebrengt, krijgt doorgaans intensievere begeleiding en een breder palet aan mogelijkheden.
Waarom “rijk” in Nederland extra lastig te definiëren is
In Nederland is veel vermogen niet direct opneembaar. Grote delen van het kapitaal zitten vast in een eigen woning of in pensioenopbouw. Daardoor kan het totale vermogen op papier indrukwekkend lijken, terwijl het vrij belegbare deel beperkt blijft.
Dit verklaart waarom het bezit van een huis ter waarde van een miljoen euro niet automatisch betekent dat iemand als miljonair wordt gezien in termen van vrij vermogen.
Iemand zonder koopwoning, maar met voldoende spaargeld en beleggingen, kan daarentegen wel degelijk als miljonair worden beschouwd door de bank. Het verschil tussen ‘op papier rijk’ en ‘vrij beschikbaar vermogen’ zorgt voor verwarring over waar de grens precies ligt.
Belastingdienst, banken en statistieken gebruiken andere grenzen
Naast banken hanteert ook de Belastingdienst eigen definities. Zo wordt in box 3 van de inkomstenbelasting gekeken naar het belastbare vermogen boven een bepaalde vrijstelling. Dit fiscale systeem staat los van de private-bankinglabels of internationale begrippen.
Het gevolg is dat iemand al vermogensbelasting kan betalen zonder bij een bank in aanmerking te komen voor private banking. Andersom kan een bank je ook als aantrekkelijke klant zien op basis van beleggingsgedrag, zelfs als je fiscaal niet opvalt.
Wat dit betekent als je jouw financiële situatie wilt verbeteren
Voor de eigen financiële planning is het raadzaam om niet alleen naar één label te kijken. Het is van belang om het vrij belegbare vermogen, vaste lasten, persoonlijke doelen en de tarieven van de bank mee te nemen in de overwegingen. Kleine verschillen in kosten kunnen bij grotere bedragen flink oplopen.
Het draait niet alleen om de spaarrente, maar ook om beleggingskosten, adviesvergoedingen, de kwaliteit van begeleiding en de mogelijkheden voor financiële planning. Naarmate het vermogen groeit, wordt het vergelijken en onderhandelen met banken relevanter.
Rijk zijn hangt vooral af van wie er rekent
Internationale rapporten beschouwen iemand pas als ‘wealthy’ bij circa 1 miljoen euro aan vrij belegbaar vermogen. Toch zien banken je soms al bij 100.000 euro als welgesteld, terwijl private banking meestal pas start vanaf een half miljoen of meer.
Er bestaat dus geen universele grens; alles hangt af van de gehanteerde definitie, het doel en het systeem.
De vraag blijft: vanaf welk bedrag beschouw je jezelf als rijk? En wanneer voelt dat daadwerkelijk zo? Die discussie wordt op verschillende plekken gevoerd, maar één eenduidig antwoord is er niet.






























